L-glutamine

L-glutamine stimuleert de afgifte van insuline bij patiënten met suikerziekte en/of obesitas. Bijna alle cellen van het lichaam kunnen glutamine aanmaken. Toch kan de productie onder bepaalde omstandigheden tekort kan schieten. Tijdens stress, vasten, zware sportbeoefening, levercirrose en ernstige ziekten waaronder zware infecties, kunnen gemakkelijk glutamine tekorten ontstaan.
Ondersteunende werking van L-glutamine bij de volgende aandoeningen:
Dosering:
  • Een veel gebruikte dagdosering L-glutamine ligt tussen de 5 en 10 gram per dag. Het verdient de voorkeur de hoeveelheid in meerdere kleine porties te verdelen en verspreid over de dag in te nemen.
  • Om competitie met andere aminozuren tegen te gaan, is het aan te raden glutamine tenminste een half uur voor de maaltijd in te nemen.
  • De dosis kan naar behoefte of op geleide van het klinisch beeld worden aangepast. Geschat wordt bijvoorbeeld dat een AIDS-patiënt al in de eerste stadia van de ziekte een behoefte heeft van 10 gram glutamine per dag. Bij zware immuundeficiënties of bij patiënten die een beenmergtransplantatie ondergaan, worden soms wel doseringen tot 40 gram per dag gebruikt.
  • Glutamine is hittegevoelig, meng daarom geen glutamine met hete dranken.
Waarschuwing:
  • In de aangegeven dosering zijn van L-glutamine geen contra-indicaties bekend.
  • Voor zover bekend veroorzaakt L-glutamine in de aangegeven dosering geen bijwerkingen.
  • Interacties met reguliere of natuurgeneesmiddelen zijn mogelijk. Raadpleeg hiervoor een deskundige.
Indicaties:
  • Chronische infecties.
  • Intensieve lichaamsbeweging.
  • Stimuleert het immuunsysteem vooral de eerstelijns verdediging in het maagdarmkanaal en de luchtwegen.
  • Ontwenningsverschijnselen bij alcoholisme en andere verslavingen.
  • Gastritis (maagwandontsteking).
  • Maagzweren, colitis ulcerosa.
  • Motoriek.
  • Leaky gut syndrom (lekkende darm door ontstekingen van het slijmvlies).
Meer info:
  • L-Glutamine is het meest voorkomende vrije aminozuur in het lichaam en is bij meer stofwisselingsprocessen betrokken dan welk ander aminozuur dan ook. De cellulaire concentraties zijn ongeveer vier maal hoger dan in het plasma. De meeste weefsels zijn in staat om zelf glutamine aan te maken. Alleen de skeletspieren, longen, hersenen en het vetweefsel kunnen echter een grote hoeveelheid glutamine aanmaken die vervolgens aan het bloed kan worden afgegeven. De skeletspieren nemen, vanwege hun grote massa, verreweg het grootste deel van de glutaminevoorziening voor hun rekening. Ongeveer 50% van het circulerende glutamine wordt gebruikt als energiesubstraat en geoxideerd, 10 tot 20% wordt gebruikt voor gluconeogenese, en de rest (her-)gebruikt voor eiwitsynthese. Omdat vrijwel alle cellen van het lichaam glutamine kunnen aanmaken (met name spiercellen), is glutamine lange tijd beschouwd als niet-relevant waar het gaat om suppletie. Mede daarom werd er weinig onderzoek naar verricht. Het blijkt echter dat L-glutamine semi-essentieel kan zijn, omdat de eigen produktie onder bepaalde omstandigheden tekort kan schieten. Tijdens stress, vasten, zware sportbeoefening, levercirrose en ernstige ziekten waaronder zware infecties, kunnen gemakkelijk deficiënties ontstaan. Op de intensivecareafdeling heeft met glutamine verrijkte parenterale voeding inmiddels haar grote nut bewezen. Onderzoek geeft aan dat suppletie met L-glutamine bij menig ernstig ziekteproces beschouwd kan worden als een levensreddende interventie.
  • L-glutamine is betrokken bij een zeer groot aantal stofwisselingsprocessen, waaronder de zuur-basebalans, de stofwisseling van eiwit, vet en koolhydraten, de regulering van het celvolume, de productie van glutathion en de regulering van de balans tussen katabolisme en anabolisme. Het is een belangrijk substraat voor sneldelende cellen, zoals die van de darmmucosa en het immuunsysteem. Om die reden kan het ook een belangrijk nutriënt zijn bij wondgenezing en spieropbouw. Vrijwel alle aminozuren bezitten één aminogroep. Glutamine bevat er daarentegen 2. Mede om deze reden neemt glutamine een centrale plaats in bij de stofwisseling van aminozuren. Via glutaminezuur kunnen alle andere aminozuren worden gemaakt. Glutaminezuur (glutamaat) en glutamine kunnen daarbij gemakkelijk in elkaar worden omgezet. Verder kunnen ook purines, pyrimidines (nucleïnezuren, DNA-bouwstoffen), aminoglucoseverbindingen, hormonen en coenzymen uit glutamine worden gesynthetiseerd. De belangrijkste functies van glutamine worden hieronder puntsgewijs toegelicht:
  • Energievoorziening, in de lever is het koolstofskelet van glutamine een belangrijke bouwstof van glucosemoleculen. En via omzetting in alfa-ketoglutaarzuur kan glutamine worden verbrand in de citroenzuurcyclus. Glutamine is de belangrijkste energiebron voor de dunne darm. Tevens is glutamine een belangrijke energiebron voor immuuncellen.
  • Immuuncellen (met name lymfocyten en macrofagen) gebruiken grote hoeveelheden glutamine, zelfs in perioden wanneer er geen groot beroep wordt gedaan op het immuunsysteem. Op het moment van een immuunrespons, als immuuncellen zich sterk moeten vermenigvuldigen en er allerlei antistoffen moeten worden aangemaakt, neemt het verbruik van glutamine echter dramatisch toe. Bij kortdurende immuunstress is de eigen productie, deels uit vertakte keten aminozuren (BCAA’s) in spierweefsel, meestal nog wel toereikend om in de behoefte te voorzien. Wanneer de stressituatie voortduurt, schiet de endogene productie tekort, met spierafbraak en immuunzwakte tot gevolg. L-glutamine is met name essentieel voor het Common Mucosal Immune System (CMIS), de immuunfunctie in de slijmlagen van het lichaam zoals in de luchtwegen, de geslachtsorganen en het maag-darmkanaal. In de slijmlaag van deze weefsels wordt met behulp van glutamine het secretoir IgA (s-IgA) geproduceerd. Dit type antilichaam is specifiek voor de immuunafweer in de mucosale lagen van het lichaam. Een tekort aan glutamine kan zo leiden tot een verminderde afweer tegen pathogenen in darm en luchtwegen. Onderzoekers hebben verlaagde s-IgA-niveaus in het speeksel in verband gebracht met een verhoogd optreden van Candida en andere infecties.
  • Glutaminesuppletie promoot sterker dan glucose of andere aminozuren de afgifte van het darmhormoon glucagonlike-peptide-1 (GLP-1). Dit remt glucagon en verhoogt de glucosegevoeligheid van de bètacellen in de pancreas waardoor de afgifte van insuline wordt bevorderd en de bloedsuikerspiegel daalt. Daarbij remt GLP-1 de apoptose van de bètacellen en bevordert ze de proliferatie en differentiatie van deze insulineproducerende cellen. Verder remt GLP-1 de eetlust. Glutamine is ter behandeling van diabetes en obesitas een interessante stof en wordt inmiddels in klinische studies toegepast.
  • Zuur-basebalans; in geval van acidose neemt het verbruik van glutamine door de nieren sterk toe. De overtollige waterstofatomen worden dan gekoppeld aan de NH3-groep(ammoniak) van glutamine en worden als ammoniumionen (NH4+) uitgescheiden. Ook levert de verbranding van glutamine bicarbonaationen (HCO3-) op die een te lage pH helpen neutraliseren.
  • Bouwstof voor proteïnen; als aminozuur kan glutamine natuurlijk ook worden ingebouwd in diverse proteïnen.
  • Neurotransmittersynthese; glutamine is het meest voorkomende aminozuur in de hersenvloeistof, wat aangeeft dat het een belangrijke rol speelt in het hersenmetabolisme. Het aan glutamine verwante glutaminezuur (glutamaat) is zelf een belangrijke exciterende (stimulerende) neurotransmitter. Dit glutaminezuur kan ook (met behulp van vitamine B6, vitamine B12 en mangaan) worden omgezet in GABA (gamma-amino-boterzuur) dat weer een remmende (sederende) neurotransmitter is. Ter illustratie, tranquillizers als valium ontplooien hun kalmerende werking via de GABA-receptoren in de hersenen. De verhouding tussen GABA en glutamaat (GABA/glutamaat-index) is een maat voor het evenwicht tussen stimulatie en inhibitie van het zenuwstelsel.
  • Glutathionaanmaak; glutamine kan ook worden gebruikt voor de aanmaak van glutathion (een belangrijke ontgifter en antioxidant). Glutathion is een tripeptide dat bestaat uit glycine, glutamine en cysteïne. Normaal is het aminozuur cysteïne de beperkende factor bij de glutathionsynthese. In het geval van een glutaminedeficiëntie (bijv. door stress, vasten, zware sportbeoefening en ernstige ziekten) kan glutamine de beperkende factor worden. Suppletie van zowel cysteïne (beste bron: N-Acetyl-Cysteïne) als L-glutamine kan dan de glutathionsynthese sterk stimuleren.
  • Productie van purines en pyrimidines; dit zijn de bouwstenen van DNA en RNA. Voor sneldelende cellen zoals die van het immuunsysteem en het darmepitheel is deze rol van glutamine erg belangrijk.
  • Stikstoftransport en ammoniakafvoer; Ongeveer een derde van alle stikstof (N) die afkomstig is van eiwitafbraak wordt tussen organen getransporteerd in de vorm van glutamine. Wanneer het lichaam glutamine gebruikt, komt daar stikstof in de vorm van ammoniak bij vrij. Dit wordt aan het bloed afgegeven. In de lever wordt vervolgens het resterende ammoniak (NH3) via de ureumcyclus uit het lichaam verwijderd om het teveel aan stikstof te lozen. Ook kan dit ammoniak worden gebruikt om glutaminezuur weer om te zetten in glutamine. Wanneer de lever niet goed functioneert, helpt het spierweefsel bij de detoxificatie van ammoniak. Indien dit ook tekort schiet kunnen er in het lichaam toxische concentraties ammoniak ontstaan.
  • Vanwege zijn grote massa is het spierweefsel de grootste producent van glutamine in het lichaam. L-glutamine is ook de drijvende kracht achter het proces van spieropbouw. Glutamine is het meest voorkomende, meest gebruikte aminozuur in het spierweefsel. Als er niet voldoende glutamine aanwezig is, stagneert de eiwitsynthese. Wanneer dan zware lichamelijke inspanning wordt verricht, zal de paradoxale situatie optreden dat de glutamineniveaus sterk zullen dalen, dus juist op de momenten dat het lichaam er de grootste behoefte aan heeft.
  • Na een zware (sport)inspanning is een periode van enkele uren nodig om de glutamineniveaus weer op peil te brengen. Een lichte trainingsdag verbetert onder gezonde trainingscondities het herstel van een zware dag, omdat enige spiergebruik, in tegenstelling tot totale fysieke inactiviteit, de glutaminesynthese stimuleert. Een verminderde beschikbaarheid van glutamine na training kan al een teken van overtraindheid zijn. Als er onvoldoende herstel kan plaatsvinden, zoals tijdens zware trainings- of wedstrijdperioden, kan een cumulatief effect optreden. Overtrainde sporters kunnen maandenlang, soms jarenlang, lage glutamineniveaus in het plasma hebben. Een glutaminedeficiëntie vermindert de kwaliteit en functie van het darmepitheel, verhoogt het risico op infecties en allergieën en vertraagt de wondgenezing. Met name duursporters zoals marathonlopers lopen dit risico. Glutaminesuppletie bij duursporters ondersteunt het darmepitheel en stimuleert het immuunsysteem, wat de kans op infecties vermindert en het lichaam zijn energie ten goede laat komen aan de prestaties.
  • Hoewel gezonde mensen zelf voldoende glutamine kunnen aanmaken, blijkt glutamine in veel gevallen toch een essentieel nutriënt te zijn. Tijdens de stress van bijvoorbeeld een infectie of verwonding, is de behoefte aan L-glutamine erg hoog (3 tot 4 maal de normale behoefte).
  • De spieren reageren daarop door hun opgeslagen L-glutamine vrij te maken voor gebruik elders in het lichaam. Wanneer de stress niet te lang aanhoudt, worden de glutamineniveaus in de spieren snel hersteld. Bij langdurige metabolische stress (bijvoorbeeld bij chronische infectie) is de behoefte aan L-glutamine erg hoog. De beschikbaarheid van L-glutamine kan zo onvoldoende zijn waardoor onder andere spierbeschadiging en immuunverzwakking optreedt. Daar komt nog bij dat bij stress en ondervoeding de glutamineopname in de dunne darm drastisch afneemt. Wanneer dan de darmflora dysbiotisch of beschadigd is, kan het glutaminetekort dramatische vormen aannemen. Bij ziekenhuisopname en operaties kan dit bijvoorbeeld leiden tot een grote kans op ernstige complicaties.
  • Voor een goede wondgenezing is glutamine zeer belangrijk. Patiënten met zware verwondingen (zoals brandwonden of na operaties) hebben een sterk verhoogde behoefte aan glutamine, omdat bij wondgenezing ook een verhoogde celdeling, DNA- en eiwitsynthese plaatsvindt. Fibroblasten, macrofagen en lymfocyten hebben een hoge behoefte aan glutamine.
  • Bij patiënten met immuundeficiënties is glutamine nodig voor het optimaal functioneren van immuuncellen (monocyten, lymfocyten en neutrofielen). Bovendien verbetert glutamine de barrièrefunctie van de darm waardoor het risico op secundaire infecties vanuit de darm wordt verminderd. Het toevoegen van glutamine aan parenterale voeding blijkt, bij patiënten op intensive care units, vrijwel altijd een gunstig effect te hebben op diverse klinische parameters. Glutaminesuppletie blijkt een goede interventie om een sepsis en meervoudig orgaanfalen te voorkomen of te behandelen. Glutamine vermindert de duur van ziekenhuisopname en vermindert de kans op sterfte als gevolg van postoperatieve infectieuze complicaties. In de neonatologie blijkt glutamine verrijkte enterale voeding aan kinderen met een zeer laag geboortegewicht, de kans op maagdarminfecties en atopische dermatitis sterk te verminderen. Het onderzoek dat de eerste zes levensjaren besloeg wees op een blijvend voordeel, hetgeen maar weer aangeeft hoe belangrijk de start in het leven is.
  • Verhoogde darmpermeabiliteit en inflammatoire darmziekten. De darm moet voedingsstoffen op kunnen nemen maar ook veel belastende stoffen en microben kunnen weren. Glutamine speelt hierbij een belangrijke rol omdat het de darmbarrière versterkt. Glutamine is belangrijk voor de continue heropbouw van de sneldelende cellen van het darmepitheel, met name in de dunne darm. Deze cellen worden elke drie tot vier dagen volledig geregenereerd. Het belang van glutamine voor het darmepitheel wordt treffend geïllustreerd door het feit dat maar liefst veertig procent van het totale glutamineverbruik in de darm plaatsvindt. Bij een glutaminetekort kunnen de darmepitheelcellen atrofiëren, wat niet alleen leidt tot een verminderde absorptie van nutriënten, maar ook tot een mogelijk verhoogde permeabiliteit van het darmepitheel. De darmepitheelcellen benutten glutamine als energiebron om een zeer bepaalde reden. Bij de afbraak van glutamine als energiebron wordt namelijk stikstof en koolstof vrijgemaakt. Stikstof en koolstof worden bij de celdeling gebruikt om exacte kopieën van het DNA te vormen. De inname van extra glutamine blijkt dan ook een belangrijke preventieve functie te hebben voor de ontwikkeling van ziektebeelden zoals de ziekte van Crohn en colitis ulcerosa. Vrij recent onderzoek bij proefdieren met colitus toont dat suppletie met glutamine de vorming van littekenweefsel geheel voorkomt. Littekenweefsel is een onomkeerbaar gevolg van de darmontstekingen en kan leiden tot vernauwingen en functieverlies van de darm. Bij patiënten die enterale of parenterale voeding krijgen, versnelt glutamine de genezing, wat vrijwel zeker is toe te schrijven aan de voedende werking voor de darmmucosa, het verminderen van de permeabiliteit van het darmepitheel en/of het tegengaan van s-IgA-depletie.
  • Algemeen geldt dat het gebruik van L-glutamine veilig is. Doseringen van 20 tot 30 gram in een keer werden door gezonde volwassenen zonder bijwerkingen verdragen en onderzoek toont dat atleten die gedurende 14 dagen dagelijks 28 gram glutamine innamen geen enkel negatief effect ondervonden. Dagdoseringen tot 0,65 gr/kg lichaamsgewicht werd door patiënten goed verdragen en resulteerde niet in afwijkende ammoniakspiegels. Gezien het effect van glutaminesuppletie op de insulinesecretie is voorzichtigheid geboden bij personen die diabetesmedicatie gebruiken.
  • Ervaring heeft uitgewezen dat sommige mensen kennelijk overgevoelig zijn voor monosodium glutamaat (MSG, E621), het natriumzout van glutaminezuur dat als smaakversterker in veel kant-en-klare soepen, sauzen en maaltijden wordt gebruikt. Wetenschappelijk onderzoek heeft over deze veronderstelde gevoeligheid geen helderheid verschaft. Onder de naam Ve-tsin wordt MSG kwistig gebruikt in sommige restaurants. Mensen die overgevoelig zijn voor deze smaakversterker krijgen dan het zogenaamde ‘Chinees restaurantsyndroom’ dat ook wel de ziekte van Kwok wordt genoemd. Hoofdpijn, misselijkheid, duizeligheid, hartkloppingen, koud zweet, buikpijn, roodheid en andere symptomen kunnen voorkomen. Mogelijk zouden zij ook op suppletie met L-glutamine kunnen reageren.

(Maag)darmkrampen

Voedingssupplementen die ondersteunend werken bij darmkrampen:
  • Enzymen helpen bij spijsverteringsklachten, indigestie in het algemeen zoals een vol gevoel, opgeblazen gevoel, winderigheid, buikpijn met eventuele misselijkheid, zuurbranden, obstipatie, vette ontlasting en onverteerde voedselresten.
  • L-glutamine 40 % van de totale glutamineverbruik vindt in de darmen plaats. Bij een glutamine tekort kan het epitheelweefsel in de darmen verschrompelen (krimpen), wat verminderde doordringbaarheid van de darmen teweeg kan brengen. De inname van glutamine blijkt een belangrijke preventie functie te hebben voor de ontwikkeling van ziektebeelden zoals de ziekte van Crohn, colitis ulcerosa. Glutamine kan de vorming van littekenweefsels voorkomen. Littekenweefsel is het gevolg van darmontstekingen en kan leiden tot vernauwingen en functieverlies van de darm, met als gevolg ondere andere buikkrampen (buikpijn), ...
  • Probiotica verbetert de darmflora en de stoelgang, er is aangetoond dat spijsverteringsklachten zoals maagpijn, buikpijn en winderigheid fel verbeteren wanneer dagelijks probiotica (met bacillus coagulans) wordt ingenomen.
Plantenextracten die ondersteunend werken bij darmkrampen:
  • Citroenmelisse werkt krampstillend op maag, darmen en galwegen.
  • Geelwortel ondersteunt de spijsvertering en vermindert klachten van een gestoorde spijsvertering. 116 proefpersonen gebruikte 4 x 500 mg curcuma extract per dag, gedurende 7 dagen. Dit leidde tot significante klachtenvermindering zoals buikpijn, winderigheid, misselijkheid, vol gevoel en zuurbranden.
  • Gember bevorderd de spijsvertering en werkt maagversterkend. Gember zorgt voor een betere absorptie van voedingsstoffen en fungeert als het ware als drager. Deze eigenschap is van nut bij spijsverteringsklachten zoals darmkrampen. Vrouwen die vlak voor of tijdens de menstruatie last hebben van krampen in de buik of onderrug zonder aanwijsbare oorzaak, kunnen baat hebben bij gemberextract. Vrouwen met menstruatiepijn (dysmenorroe) kunnen deze klachten verminderen door suppletie met gemberextract.
  • Grote engelwortel werkt krampwerend op maag en darmen.
  • Kamille is geschikt voor de symptomatische behandeling van spijsverteringsklachten van algemene en nerveuze aard, zoals buikkrampen.
  • Pepermunt werkt krampwerend op de gladde spieren van het maagdarmstelsel, ontspannend op de maag, galwegen en op het colon.
  • Venkel vermindert darmgassen en darmkrampen.
Maagkrampen en darmkrampen komen vooral voor bij zenuwachtige mensen, de maagspieren werken meestal niet goed waardoor het voedsel in de maag niet goed verteerd en zodoende verplaatst kan worden. Het voedsel blijft hierdoor langer in de maag, waardoor de maag geïrriteerd raakt en maagpijn is het gevolg.

Oorzaken van maag- en darmkrampen:
  • Niet goed werken van de maagspieren.
  • Verkeerd eet- , drink- en leefgewoonte.
  • Stress.
  • Angst.
  • Nervositeit (de maag raakt hierdoor uit het natuurlijk ritme).
  • Menstruatiepijn
Maag- en darmkrampen kunnen vaak al verminderd worden door het aanpassen van eet-, drink- en leefgewoonten. Maag- en darmkrampen worden ook vaak ervaren als een koliekachtige pijn, en duren maar een paar seconden. Dat neemt niet weg dat het erg pijnlijk is en kan aanvoelen als of er iets gescheurd is.

Zie ook

Fracturen (beenbreuk of botbreuk)

Voedingssupplementen die ondersteunend werken bij beenbreuken:
  • Calcium - magnesium beschermen tegen botbreuken, ze zijn belangrijk voor de opbouw en het behoud van sterke botten en tanden.
  • L-proline is een belangrijk bestanddeel van collageen en helpt de opbouw van beenderen, huid en bloedvaten.
  • Silicium versnelt het herstel van botbreuken, is noodzakelijk voor de vorming van gewrichtskraakbeen.
  • Vitamine B tekort verhoogt de homocysteïnegehalte, dit kan leiden tot verlies van botmassa, verminderde botsterkte en een verhoogd risico van botbreuken. 
  • Vitamine D is belangrijk voor sterke botten en tanden en verhoogt de opname van calcium in botten en tanden, helpt botbreuken voorkomen en sneller herstellen.
  • Vitamine E tekort verhoogt het risico op botbreuken, vitamine E heeft een positief effect op de botdichtheid en de spiermassa van ouderen, mogelijk door de antioxidatieve eigenschappen van vitamine E.
  • Vitamine K is belangrijk voor de activiteit van osteocalcine, een boteiwit dat een belangrijke rol speelt bij de vorming en instandhouding van gezond en goed gemineraliseerd botweefsel.
 
Een fractuur (beenbreuk of botbreuk) wordt gekenmerkt door het breken van een bot, veroorzaakt door (bijvoorbeeld) een val waardoor het bot meer belast wordt dan het aankan.

Feiten:
  • Een verhoogde homocysteïnespiegel vergroot de kans op botfracturen. Mensen met een hoge homocysteïnspiegel hebben in vergelijking met mensen met een lage concentratie van homocysteïne met bijna 1,7 x meer kans op een heupfractuur. Homocysteïne is een stof van de stofwisseling, een verhoogde homocysteïnespiegel wordt veroorzaakt door een gebrekkige homocysteïnestofwisseling. Waardoor homocysteïne zich kan ophopen, een gevolg van een genetische afwijking of door verkeerde leefgewoonte of algehele veroudering.
  • Een hoge melkconsumptie voorkomt geen heupfractuur op oudere leeftijd. In tegenstelling tot de gangbare opvatting blijkt een hoge melkinname tijdens de tienerjaren geen garantie voor de preventie van botbreuken op oudere leeftijd. Voor mannen leidt het dagelijks drinken van melk zelfs tot een verhoogde kans op een heupbreuk.
  • Voedingstekorten zoals aan vitamine C, vitamine E en vitamine K houden verband met een verminderde botgezondheid. De effecten van deze voedingsstoffen kunnen beïnvloed worden door roken, hormoontherapie na de overgang en inname van calcium en vitamine D. Deze bevindingen geven het belang van goede voeding aan voor het behoud van de botmassa en het verminderen op de kans om osteoporose en botbreuken te krijgen.
Broze beenderen:
We spreken van broze beenderen indien ze bij de geringste schok breken. Deze broosheid is een fundamenteel kenmerk van osteoporose waarbij de botmassa vermindert. Osteoporose treft vooral vrouwen na de menopauze, maar ook zieken die lange tijd bedlegerig zijn geweest of patiënten die voortdurend corticosteroïden moeten nemen.

Iedereen kan een botbreuk oplopen, maar bejaarden worden hier zeer veel door getroffen doordat ze gemakkelijk vallen en doordat hun beenderen brozer geworden zijn. Botbreuken komen ook voor bij jongeren, vooral bij hen die sporten beoefenen waardoor ze gemakkelijk kunnen vallen.


Zie ook:
Ischias
Osteoporose

Verbeteren van zuur & base balans

Het menselijk lichaam werkt als een chemische fabriek. Er vinden aan één stuk door reacties plaats door tussenkomst van enzymen.

Gezonde Voeding en Ziekte:
  • Als voedsel ons lichaam binnenkomt krijgt het een eerste voorbewerking door de inwerking van ons speeksel.  Daarna komt het voedsel in de maag  waar een mengsel van zoutzuur en pepsine voor verdere vertering zorgt.  Dan is het de beurt aan de twaalfvingerige darm waarin gal en alvleeskliersappen aan de voeding worden toegevoegd. Vervolgens komt het voedsel aan in de dunne darm waar onder invloed van verschillende soorten enzymen de verdere vertering plaats vindt. Gaat er in de lange weg van omzettingen in de spijsvertering iets mis dan krijgen we een onvolwaardig eindproduct met alle gevolgen van dien. Om goed te kunnen functioneren moet ons lichaam geregeld bijtanken, want er wordt steeds voedsel verbruikt om energie te leveren, lichaamsfuncties te laten plaatsvinden, reparaties uit te voeren en er worden voorraden aangelegd die zo nodig later kunnen worden aangesproken.  Dat gebeurt ons leven lang, dag en nacht en wij vinden het zo vanzelfsprekend dat we er helemaal niet bij nadenken.


Het zuur-base evenwicht:
  • Om u iets te laten begrijpen van het zuur-base evenwicht in het lichaam kunnen we even de vergelijking maken met onze auto, als we daar regelmatig verkeerde benzine in gooien gaat er wat mis, dat snapt iedereen. Zo gaat het ook met ons lichaam. Het maakt veel uit wat we eten om ons lichaam van de nodige voeding te voorzien.
  • Heel lang geleden aten de mensen heel anders dan nu.  Ze leefden nog dicht bij de natuur en hun voeding was dan ook heel natuurlijk.  Mensen aten veel fruit, groenten, wortels, zaden en het eiwit- en vetgehalte van hun voeding was veel lager dan van de hedendaagse voeding. Welvaartsziekten kwamen bij hen niet voor. Geleidelijk aan is de voeding een industrieproduct geworden en de reclame zorgt ervoor dat bij mensen de behoefte wordt gekweekt aan allerlei stoffen die niet nodig zijn om ons lichaam in stand te houden; denk aan snoep, frisdrank, chips, sigaretten en alcohol.
  • Door het veranderd voedingspatroon treedt ook een verandering op in het evenwicht in ons lichaam. Wij gooien eigenlijk verkeerde benzine in onze tank. Wij vervuilen en langzaam maar zeker worden de gevolgen daarvan zichtbaar in de vorm van ziekten en kwalen.
Welke voedingstoffen vormen zuren in het lichaam:
  • Dat zijn alle granen, bloem, bonen, erwten, brood, suiker (ook verborgen in allerlei producten zoals jam, koekjes, frisdrank), vlees, vis, schaaldieren, ei, kaas en alle noten behalve amandelen. Verder melkproducten en vetten. Ook alcohol, tabak en chemische medicijnen geven een zure reactie. Daarbij moet nog worden opgemerkt dat de voedingstoffen met een hoge Ph (zuurgraad) nog onderling sterk verschillen. De hoogste zuurgraad heeft vlees, het laagste scoren zure melkproducten. Basenvormend in ons lichaam zijn alle vruchten en groenten, wortelgewassen, zuidvruchten, sojaproducten en amandelen. Als we het voedingspatroon van de meeste mensen tegenwoordig bekijken dan moeten we constateren dat bij de meesten de balans doorslaat naar een te zure voeding.
  • Amerikaanse onderzoeken  hebben nu zelfs aangetoond dat de verhouding zuur-base daar tegenwoordig 80-20 is, het omgekeerde dus van de gewenste 20 % zuren en 80% basen! Een zondvloed van zuurvormende voeding komt tegenwoordig naar ons toe in de vorm van zoetigheid, meelspijzen, snoep, frisdrank, junkfood, alcohol en tabak.
Wat gebeurt er in ons lichaam als er teveel voedsel wordt gebruikt dat zuren vormt:
  • Om onze lichaamscellen te beschermen zorgt het regelsysteem in ons lichaam ervoor dat de zuurgraad (Ph) van ons bloed en het extracellulaire vocht constant tussen 7,2 en 7,4 blijft.Als er teveel zuren worden aangeboden is ons lichaam verplicht om enkele aanpassingen te maken als noodmaatregel om het bloed en het extracellulaire vocht op het juiste peil te houden. Dat gebeurt door het teveel aan zuren te binden aan lichaamseigen mineralen zoals magnesium, ijzer en zink. Door een te zure voeding verliezen we dus belangrijke mineralen! Deze mineralen worden voornamelijk onttrokken aan haren, huid, botten en tanden.
  • Mineralen zijn ook belangrijk voor de aanmaak van enzymen. Zink bijvoorbeeld is betrokken bij de aanmaak van meer dan 80 verschillende enzymen. Als we teveel zuurvormend voedsel eten gaat ook onze enzymproductie achteruit waardoor ons lichaam op tal van punten slechter gaat functioneren. Ook onze nieren en onze ademhaling zijn betrokken bij de afvoer van het teveel aan zuren. Als het om kleine hoeveelheden gaat dan kan ons lichaam dat wel regelen. Als er echter zoals tegenwoordig dikwijls het geval is, een overvloed aan zuurvormende voeding wordt geconsumeerd, dan kunnen we in de problemen komen en zijn allerlei ziekten en kwalen het gevolg.
  • De verbindingen die gemaakt worden om zuren te binden noemen we stofwisselingsslakken. Ze worden opgeslagen in de lichaamsweefsels, in eerste instantie in bindweefsel en vet en als dat verzadigd raakt komt het spierweefsel aan de beurt. Kleine hoeveelheden bindweefselslakken kunnen afgevoerd worden naar de nieren. Dit proces vind 's nachts plaats.  Als er echter meer zure eindproducten van de stofwisseling worden gevormd dan we kunnen afvoeren dan begint een proces van zelfvergiftiging dat zich uit in allerlei ziekten en kwalen.
Door de verslakking van het lichaam ontstaan klachten zoals: 
Ook geven deze lichaamsslakken vermoeidheid en de pijngevoeligheid neemt toe. Ons lichaam reageert nu eenmaal met pijn en vermoeidheid om aan te geven dat er iets niet in orde is. Een bekend voorbeeld van verzuring is jicht. Urinezuurkristallen worden dan afgezet op de gewrichten waardoor hevige pijn ontstaat.

Als we teveel zuurvormend voedsel eten, beroven we ons lichaam van een aantal belangrijke mineralen die ook nodig zijn voor de vorming van enzymen en er ontstaan afvalproducten in de vorm van slakken die zich afzetten in onze weefsels, waardoor vermoeidheid en pijn ontstaat. Op langere termijn kunnen zich allerlei ziekten en kwalen gaan ontwikkelen. Het Ontzuren Starterspakket is bijzonder geschikt voor mensen die nog niet eerder hun lichaam hebben ontzuurd en in korte tijd resultaat willen zien en ervaren.

Shiitake

Shiitake moet afkomstig zijn van een kweek onder strikte condities, om shiitake te bekomen met medicinale kwaliteiten. Beter zijn de gestandaardiseerde extracten van shiitake voor een gewaarborgde werking. Shiitake bevordert de toename van immuuncellen: gamma-delta-T-cellen en natural killer T-cellen. Ondersteunt het immuunsysteem van de darmen en vermindert ontstekingen. De concentratie van ontstekingseiwitten nemen af, terwijl de concentraties van anti-inflammatoire cytokinen (speelt een rol in  de immuunafweer) toenamen.
Latijnse naam: Lentinula edodes
Andere namen: Shiitake, Japanse champignon, geurpaddenstoel, eikenzwam, Chinese black mushroom
Toepassing bij klachten:
Inwendig gebruik:
Verbetert de kwaliteit van het immuunsysteem, werkt antiviraal en antibacterieel, remt schimmels af, verkleint het risico op kanker:
  • Acute virale infecties, griep, recidiverende verkoudheid, herpes simplex type 1 infecties, hepatitis, postviraal syndroom, zwakke weerstand, genitale wratten.
  • Preventie van kanker.
  • Ondersteunende therapie bij kanker (vooral maag- en darmkanker): ondersteunt chemotherapie en radiotherapie, beter levenscomfort, langere survival.
Gebruikte delen:
  • Het vruchtlichaam.
    Waarschuwingen:
    • Geen gekend.

    Zink

    Zinkmethionine zorgt voor een optimale opname, het is sneller beschikbaar in de bloedcirculatie dan andere zinksupplementen.
    Toepassingen:
    Dosering:
    • Therapeutische doseringen zink variëren meestal vanaf 15 tot en met 60 mg elementair zink per dag. Een onderhoudsdosering bedraagt circa 15 mg elementair zink per dag. Voor kinderen moet de dosering worden aangepast, gerelateerd aan het lichaamsgewicht. Verstoringen op het calcium- en kopermetabolisme zijn bij onderhoudsdoseringen niet te verwachten. Wel bestaan er aanwijzingen voor dergelijke verstoringen wanneer doseringen van 100 mg of meer elementair zink worden gebruikt.
    • Zinkmethionine is ten opzichte van veel andere gebruikte zinkverbindingen aanzienlijk beter opneembaar is. De verbinding is resistent tegen de binding met fytaten en vezels in het darmkanaal! Daardoor wordt het bijzonder goed opgenomen en verblijft het langer in het lichaam dan veel andere vormen van zink. Verwacht mag worden dat zinkmethionine de meest effectieve vorm van suppletie is. Hoge therapeutische doseringen kunnen nodig zijn. Echter dergelijke doseringen kunnen nadelig uitwerken op de koperstatus en worden niet aangeraden zonder monitoring en correctie van de koperstatus. Het gedurende vele jaren dagelijks innemen van een hoge dosis zink (100 mg elementair zink per dag) is geassocieerd met een verhoogd risico op prostaatcarcinogenese. Hierbij moet vermeld worden dat lagere optimale fysiologische doseringen juist de gezondheid van de prostaat bevorderen.
    Hierbij enkele voorbeelden van (tijdelijke) zinkdoseringen zoals die tijdens wetenschappelijk onderzoek succesvol zijn toegepast. Wegens de verschillende zinkverbindingen die in onderzoek zijn gebruikt, zijn de hoeveelheden omgerekend naar het aantal milligrammen elementair zink:
    • Maagzweren: 3 x dgs 46 mg elementair zink.
    • Acne: dagelijks 30-135 mg elementair zink.
    • Hidradenitis (huidziekte): dagelijks 60 mg elementair zink.
    • ADHD bij kinderen: dagelijks 15-40 mg elementair zink.
    • Hypogeusia (vermindert smaakvermogen): 25-100 mg elementair zink.
    • Diaree bij slecht gevoede kinderen: dagelijks 10-40 mg elementair zink.
    • Anorexia: dagelijks 15 mg elementair zink.
    • Ter bevordering van de groei en gewichtstoename bij kinderen met sikkelcelziekte: dagelijks 10 mg elementair zink.
    • Ter preventie en behandeling van longontsteking bij ondervoede kinderen: dagelijks 10-70 mg elementair zink.
    Synergisme:
    • Om de diverse metabolische functies te kunnen vervullen, heeft zink een aantal synergisten nodig. De synergisten vitamine A en vitamine C zijn essentieel voor het effect op het immuunsysteem en de B-vitaminen, chroom en vanadium voor de glucosehuishouding. Bovendien komt zink tekorten meestal nooit alleen voor; vaak zijn er meerdere tekorten in het spel.
    Waarschuwing:
    • Over het algemeen wordt zink goed verdragen. Doseringen van 100-150 milligram per dag kunnen soms misselijkheid en overgeven veroorzaken, met name wanneer het supplement op nuchtere maag wordt ingenomen. Deze verschijnselen treden vooral op bij zinksulfaat (220 mg zinksulfaat = 50 mg elementair zink). Van andere vormen van zink zijn deze verschijnselen minder of niet bekend. Alhoewel voldoende zink een belangrijk mineraal is om de prostaat gezond te houden, zouden hoge doseringen zink de tumorprogressie bij een zich ontwikkelend prostaatcarcinoom juist kunnen bevorderen (zie doseringen).
    • Vrouwen die de anticonceptiepil slikken, hebben vaak verhoogde koperspiegels en een verhoogde behoefte aan zink. Ook een aantal andere medicijnen (bijvoorbeeld thiazidediuretica, corticosteroïden, steroïdhormonen, tetracyclines, furosemide, colchicine) hebben een negatief effect op de zinkstatus. Vooral thiazidediuretica kunnen de zinkexcretie met 60% verhogen. Langdurig gebruik van deze medicatie maakt het monitoren van de zinkstatus noodzakelijk. Zinksuppletie verlaagt de hoeveelheid tetracycline die in het bloed wordt opgenomen. Zinksupplementen en tetracyclines moeten daarom minimaal 2 uur van elkaar gescheiden worden ingenomen.
    • Cadmium is een antagonist van zink en cadmiumvergiftiging (bijvoorbeeld door roken) heeft een dramatisch effect op de zinkstatus. Ook ijzer en calcium remmen de zinkabsorptie. Eiwitten verbeteren de zinkabsorptie.
    • Zink in een andere vorm dan zinkmethionine, vormt onopneembare complexen met de fytaten in granen, rijst en maïs, de oxalaten uit bepaalde groenten (bijv. rabarber) en tanninen (bijv. thee.rode wijn).
    Meer info:
    • Hoewel de eerste publicatie over het belang van zink voor de mens pas in 1963 verscheen, is inmiddels duidelijk dat zink één van de belangrijkste spoorelementen is. Zink komt in iedere lichaamscel voor en maakt waarschijnlijk deel uit van meer enzymsystemen dan welk ander mineraal ook. Zo is zink een cofactor voor het enzym delta-6-desaturase dat betrokken is bij de synthese van vetzuren die zeer belangrijk zijn voor onze celmembranen, dus ook die van onze hersencellen. Verder speelt zink een belangrijke rol bij de regulatie van neuro- en immunotransmitters waardoor zink zowel immunologische als gedragsparameters kan beïnvloeden. Aangezien zink noodzakelijk is voor alle celgroei- en differentiatieprocessen, wordt er bij wondgenezing, opgroeiende kinderen, zwangerschap en lactatieperiode, een groot beroep gedaan op de zinkverzorging. Het kan zelfs moeilijk zijn om uit een gezonde voeding voldoende zink te halen, tenzij heel specifiek gelet wordt op  zinkrijke producten (zie bronnen) en juiste combinaties. Daarbij heeft het lichaam geen opslagmogelijkheden voor zink en is derhalve afhankelijk van een dagelijks toereikende inname.
    • Zink heeft zoveel belangrijke functies in het lichaam en zinkdeficiëntie komt dermate vaak voor, dat er bij de behandeling van aandoeningen in de dagelijkse praktijk vaker aan de zink gedacht zou moeten worden.
    • De meting van het zinkniveau wordt doorgaans in het bloedplasma of serum gedaan. Deze meting is niet altijd representatief voor de cellulaire zinkstatus en detecteert op individueel niveau alleen de zwaardere zinkdeficiënties. Klinische verschijnselen van een zinkdeficiëntie kunnen zich al voordoen zonder afwijkende laboratoriumwaarden. Ook haaranalyse is geen geschikte methode. De beste indruk van de zinkstatus geeft analyse van de zinkniveaus in de witte bloedcellen. In de dagelijkse praktijk zijn herkenbare verschijnselen van zinkdeficiëntie: meerdere witte vlekken en lijnen op de vingernagels, evenals vermindering van sensorische functies zoals smaak- en reukvermogen, haaruitval, maar ook verminderde weerstand, (mentale) lethargie, trage wondgenezing en aften. Deze verschijnselen zijn in zekere zin aspecifiek en kunnen dus samengaan met diverse ziektebeelden.
    • Rokers zijn goede kandidaten voor chronische zinkdeficiëntie, omdat cadmium uit sigarettenrook een antagonist is van zink. Ook bij alcoholisten wordt vaak zinkdeficiëntie geconstateerd. Een relatief kleine hoeveelheid alcohol bevordert reeds de zinkuitscheiding en remt de inbouw van zink in de lichaamsenzymen. Alcoholisten hebben vaak een verminderde voedselinname die tevens bijdraagt aan de zinkdeficiëntie. Onder ouderen komt eveneens veel zinkdeficiëntie voor. Bij hen is vaak zowel de zinkinname als de zinkabsorptie verminderd.
    • Andere risicofactoren zijn: hoge consumptie van gemaksvoedsel (bijv. fosfaten uit frisdranken binden zink), vegetarisme, verwonding, chirurgie, infecties, sportbeoefening, frequente ejaculatie, chronische aandoeningen (zoals sikkelcelanemie, nier- en leveraandoeningen), hoge inname van koper en langdurige blootstelling aan milieutoxinen. Tevens is gebleken dat kwikresiduen in ons voedsel het zinkmetabolisme verstoren en de zinkbehoefte vergroten. Kwikresiduen zijn afkomstig van het zoetmiddel HCFS (High Fructose Corn Syrup) dat veel gebruikt wordt in limonade en koek en bijvoorbeeld pesticiden op fruit. Vooral de hersenen van kinderen zijn extra gevoelig voor het toxische kwik.
    • Het westerse voedingspatroon wordt gekenmerkt door veel geraffineerde granen, suikers, gemaksvoedsel en vet. Dit patroon bevat te weinig zink en andere waardevolle mineralen. Wanneer de behoefte vergroot is (bijvoorbeeld bij immuunzwakte, groeispurts, operatie of zwangerschap/lactatie), treden snel tekorten optreden. Lichte tot matige zinkdeficiëntie en daarmee geassocieerde aandoeningen komen in de praktijk veel voor.
    • Eiwitrijk voedsel is in het algemeen een rijke natuurlijke bron van zink. Vooral oesters bevatten zeer veel zink, maar kunnen ook hoge gehalten aan zware metalen bevatten. Rood vlees en krab en in iets mindere mate gevogelte en vis zijn eveneens goede bronnen. Bij plantaardig voedsel gaat het met name om hele granen, peulvruchten, noten (m.n. pecannoten) en zaden (m.n. pompoenpitten). Bij raffinage van de granen gaat tot 80% van het zink verloren, omdat zink vooral aanwezig is in de schilletjes en vliesjes. Groenten en fruit bevatten relatief weinig zink. Lactovegetariërs die veel peulvruchten en noten eten, zullen maar net voldoende zink binnenkrijgen. De hoeveelheid opneembaar zink kan door de vele antinutriënten van deze voeding toch te laag zijn. Een strikt vegetarische voeding levert dus in het algemeen te weinig zink voor het lichaam.
    • Naar schatting wordt 20% tot 40% van het binnengekregen zink uiteindelijk geabsorbeerd, vooral afhankelijk van lichaamsbehoefte en maagzuurconcentraties. Zink uit hele granen (volkorenproducten en muesli) wordt minder goed opgenomen door de aanwezigheid van zogenaamde antinutriënten in de schilletjes (ook rijst, maïs en peulvruchten), terwijl de schilletjes juist het zink bevatten. Volkoren graan, rijst, maïs en peulvruchten zijn dus dubieuze zinkleveranciers omdat de biologische beschikbaarheid van zink laag is. De antinutriënten, zoals fytaten, binden het zink in het maagdarmkanaal tot onoplosbare complexen en verlaten het lichaam met de stoelgang. Ook oxalaten in bepaalde groenten (bijv. rabarber, spinazie, bieten, noten) en tanninen (koffie en thee) hebben deze eigenschap.Deze effecten beperken zich niet alleen tot de opname van zink,maar ook van andere mineralen.
    • Aan methionine gebonden zink bindt, in tegenstelling tot het zink in bijvoorbeeld zinkorotaat of zinkcitraat, niet aan fytaat, oxalaat en tanninen. Zinkmethionine wordt, in tegenstelling tot klassieke zinkpreparaten, meteen via specifieke receptoren aan het begin van de dunne darm opgenomen. De aanwezigheid van het aminozuur methionine waarborgt een uitstekende opname.
    • Methionine is het aminozuur dat het beste door het lichaam wordt opgenomen. Daardoor is het snel beschikbaar in de bloedcirculatie om een eventueel zinktekort aan te vullen en wordt bij het gebruik van zinkmethionine een grotere hoeveelheid zink uit de darm opgenomen en verblijft het langer in het lichaam dan bij andere zinkvormen het geval is. Veelal kan zelfs met een lagere dosering worden volstaan.
    • Derhalve maakt het voor deze zinkmethionine niet uit waarbij en wanneer het ingenomen wordt, de opname van deze zinkverbinding is altijd goed.
    • Een bijkomend voordeel van zinkmethionine is dat het een antioxidatieve capaciteit heeft die vergelijkbaar is met die van vitamine E.
    • Methodologisch goed opgezette studies tonen aan dat kinderen met ADHD en laag normale zinkwaarden positieve gedragsveranderingen laten zien wanneer ze zinksupplementen gebruiken. Patiënten met een maagzweer laten bij normale zinkwaarden een 3 maal snellere genezing zien wanneer zinksuppletie wordt ingezet.

    Geelwortel

    Curcuma longa bevat curcuminoïden (vetoplosbare polyfenolen) en curcumine waarvan de biologische beschikbaarheid gering is (wordt slecht opgenomen door ons lichaam). Door gebruik te maken van een hydrofiele drager, zijn er specifieke curcuminecomposities ontwikkeld, zoals BCM-95 en CurcuWin. BCM-95 laat ten opzichte van standaard curcumine een tot 7 x grotere opneembaarheid zien en CurcuWin zelfs tot 46 x meer. Het werkingsmechanismen van de curcuminoïden is zeer breed. Speelt vermoedelijk een centrale rol in het ziekteproces van reumatoïde artritis, pijn, verbeteren van het immuunsysteem en normaliseren van de dopamine- en serotonine spiegel. De gele kleurstof uit curcumine is een krachtige antioxidant met geneeskrachtige werking (vermoedelijk vertraagt het de activering van dendrietcellen door beïnvloeding van de JAK/STAT/SOCS pathway). Hierdoor kan de balans van het immuunsysteem zich herstellen.
    Latijnse naam: Curcuma longa
    Andere namen: Javaanse curcuma, bittere curcuma, temoe lawak, koenjit, Javan turmeric.
    Toepassing bij klachten:
    Inwendig gebruik:
    Galvormend, galdrijvend, galblaasledigend, voorkomt galstenen:
    Cholesterolverlagend, antioxiderend, gaat de vorming van bloedstolsels tegen:
    Leverbeschermend, ontgift de lever:
    • Leveroverbelasting en leverschade door gifstoffen en alcohol (alcoholisme).
    • Leveraandoeningen: leverontsteking, leverziekten gepaard met geelzucht, te hoog gehalte aan bilirubine.
    Eetlustopwekkend, maagversterkend, spijsverteringsbevorderend, winddrijvend, krampstillend:
    Ontstekingsremmend:
    Bestrijdt de vorming van het zuurstofradicaal superoxide-anion, remt oxidatieprocessen, helpt de ziekte van Alzheimer voorkomen:
    Voorkomt genetische mutatie door chemicaliën:
    • Voorkomen van kanker voornamelijk: mondkanker, maagkanker, darmkanker, borstkanker en leukemie, remming van mondholtekanker en colonkanker.
    Verhoogt de activiteit en stijging van serotoninespiegel, noradrenalinespiegel en dopaminespiegel:
    Dosering:
    • Curcumine (afhankelijk van het curcuminecomposiet) tussen de 400 tot 1200 mg per dag.
    Gebruikte delen:
    • De gedroogde wortelstokken (geoogst rond december-januari, als het bovengronds gedeelte is verdroogd), in schijfjes gesneden en gedroogd.
    • Curcuma xanthorrhiza is een gecultiveerde Indonesische soort en is nauw verwant met de meer culinair gebruikte curcuma longa.
      Waarschuwingen:
      • Curcumine kan het metabolisme van medicijnen beïnvloeden; curcumine kan de werking van bloedverdunners versterken en is (in hoge doseringen) gecontraïndiceerd bij grote galstenen of afsluiting van de galwegen door galsteenblokkade, obstructieve icterus, acute galsteenkolieken en extreem toxische leveraandoeningen. Gebruik van het extract tijdens de zwangerschap en lactatieperiode wordt ontraden.
      • Te hoge doseringen kunnen aanleiding geven tot prikkeling van het maagslijmvlies en dienen vermeden te worden door patiënten met een maag- of darmzweer. Soms kan het gebruik van geelwortel extracten de frequentie van de ontlasting verhogen.

      Gulden sleutelbloem

      Sleutelbloem bevordert het ophoesten van slijm en werkt ontstekingsremmend op de luchtwegen, wordt toegepast bij bronchitis met taaie slijmen en hoest, werkt kalmerend en spier ontspannend.
      Latijnse naam: Primula veris
      Andere namen: Gewone sleutelbloem, echte sleutelbloem, primrose, cowslip 
      Toepassing bij klachten:
      Inwendig gebruik:
      Bevordert het ophoesten van slijm, bevordert de secretie van de bronchiale klieren, slijmoplossend; Ontstekingswerend op de luchtwegen:
      Gebruikte delen:
      • Vooral de wortelstok en wortels; die zijn het rijkst aan saponinen (vooral voor de luchtwegen).
      Waarschuwingen:
      • Niet geven als er een verhoogde spanning merkbaar is in de longen: astma, krampachtige hoest (tenzij combinatie met luchtwegenontspannende kruiden als tijm venkel, anijs,...).
      • Niet aan zwangere vrouwen geven (baarmoederstimulans).
      • Niet geven bij overgevoeligheid aan aspirines of bij gebruik van bloedverdunners.
      • Niet geven bij maag of darmulcera.
      • Niet geven bij allergische overgevoeligheid aan primula.

      Autisme

      Voedingssupplementen die ondersteunend werken bij autisme:
      • L-carnosine behandeling met carnosine bleek autistische kinderen de expressieve en receptieve taalvermogens significant te verbeteren (dubbelblind placebogecontroleerd onderzoek, 800 mg per dag), evenals een aantal andere parameters van autisme.
      • Melatonine bij sommige mensen met ASS zijn afwijkingen in de fysiologie van melatonine ontdekt. Dit werd in verband gebracht met stoornissen in verbale communicatie en speelvaardigheden. Er wordt zelfs gedacht dat een laag melatonineniveau een risicofactor is voor de ontwikkeling van ASS. ASS blijkt samen te gaan met oxidatieve stress, ontstekingen in de hersenen, verstoorde darmflora en maag- en darmontstekingen. Melatonine heeft een positieve invloed op ontsteking en oxidatieve stress. Bovendien verbetert melatonine de slaap bij kinderen met ASS, door verkorte inslaaptijden, verlengde slaapduur en een verbeterd slaappatroon.
      • Spijsverteringsenzymen (prebio complete) bij autisme kan er sprake zijn van een verhoogde productie van exorfinen uit graan- en koemelkproducten. Ook bij diëten zoals het gluten- en caseïnevrij dieet kunnen spijsverteringsenzymen nuttig zijn; als gevolg van het peptidasegebrek kunnen ook exorfinen uit andere voedingsmiddelen ontstaan.
      • Vitamine D wordt meestal geassocieerd met lichamelijke aandoeningen, maar ook neurologische aandoeningen kunnen ontstaan door vitamine D tekort. Een vitamine D tekort tijdens de zwangerschap is geassocieerd met een groter risico van autisme bij het nageslacht.
      Plantenextracten die ondersteunend werken bij autisme:
      • Broccoli verbetert het gedrag en de communicatievaardigheden.
      Autisme is een multifactoriële en multigene aandoening waarvan de incidentie toeneemt en waarbij onder meer genetische aanleg, omgeving en zeker ook de darmen en het immuunsysteem een wezelijke rol spelen. Er zijn belangrijke moleculairecverbanden blootgelegd tussen vitamine D3, L-tryptofaan, oxytocine en serotonine enerzijds en autismespectrumstoornissen (ASS) anderzijds.


      Hoewel een tekort aan vitamine D wordt geassocieerd met lichamelijke aandoeningen, wordt ook steeds vaker een verband met neurologische aandoeningen gevonden waaronder ASS. Bij kinderen met ASS lijkt een vitamine D-tekort de norm te zijn. Ook verschijnt er regelmatig onderzoek dat een verband legt tussen de ontwikkeling van ASS en een vitamine D-tekort, vooral tijdens de zwangerschap en in het jonge leven.

      Uit een ecologische studie blijkt dat er onder Amerikaanse adolescenten een verband bestaat tussen ASS en blootstelling aan zonlicht. De hoeveelheid ontvangen UVB uit zonlicht bleek omgekeerd evenredig met de incidentie van ASS: hoe lager de mate van blootstelling, hoe vaker ASS voorkwam. De onderzoekers concludeerden dat dit effect hoogstwaarschijnlijk te verklaren is door vitamine-D-gebrek tijdens de zwangerschap. Dit gebrek heeft de grootste impact tijdens het derde trimester, de periode waarin de hersenontwikkeling het snelst verloopt.

      Al sinds midden jaren ‘80 is de preventie van huidkanker een speerpunt. Maar uit de zon blijven en regelmatig smeren met zonnebrandcreme heeft ook belangrijke nadelen. Er komt dan onvoldoende UVB op de huid om vitamine D3 aan te maken. Daarbij leven en werken stedelingen in ons land vooral binnen en is het een groot deel van het jaar niet mogelijk om voldoende zonlicht te ontvangen voor een toereikende aanmaak van vitamine D. Daarbij spelen onder andere de breedtegraad en bewolking een belangrijke rol. Tegelijkertijd gaat de prevalentie van ASS al sinds de jaren ‘80 omhoog. Deze is in dertig jaar gestegen van 2 tot 5 per 10.000 personen naar 60-100 per 10.000 personen. Meestal wordt daarvoor aangevoerd dat de diagnose is verruimd en de maatschappij steeds hogere eisen stelt aan sociale en communicatieve vaardigheden. Desalniettemin is de stijging erg groot en lijkt het op basis van diverse onderzoeken aannemelijk dat ook het toenemende vitamine D-tekort een rol speelt. Volgens het nieuwe onderzoek komt activatie van serotonine tot stand via vitamine D. Wanneer er voldoende vitamine D beschikbaar is, wordt de aanmaak van serotonine in de hersenen gestimuleerd en daalt de serotonine-aanmaak in de rest van het lichaam. Bij een gebrek aan vitamine D is de situatie juist omgekeerd. Serotonine heeft in het maagdarmkanaal een functie binnen de darmmotiliteit. Een overmaat van serotonine in de darmen veroorzaakt mogelijk immunologische veranderingen en ontstekingen van het maagdarmkanaal. Bij personen met ASS vindt men vaak chronische darmontsteking en spijsverteringsstoornissen. De onderzoekers denken dat overtollige productie van serotonine in de darmen ten koste kan gaan van de aanmaak in de hersenen. Het nieuwe onderzoek geeft ook een verklaring voor het feit dat ASS veel vaker voorkomt bij jongens dan bij meisjes. Het vrouwelijke geslachtshormoon oestrogeen verhoogt de expressie van TPH (tryptofaanhydroxylase) in de vrouwelijke hersenen. TPH zorgt voor aanmaak van 5-HTP, de voorloper van serotonine. Dit ondervangt volgens de onderzoekers de nadelige gevolgen van een vitamine D tekort op de aanmaak van serotonine. Uiteindelijk lopen meisjes daardoor minder kans om ASS te ontwikkelen.


      Nieuw onderzoek laat zien dat verstoringen in serotonine, tryptofaan en vitamine D de hersenstofwisseling van personen met ASS ontregelen. Het onderzoek legt veel nieuwe verbanden en opent de weg naar een betere (ondersteunende) therapie. Serotonine wordt in de hersenen gemaakt onder invloed van L-tryptofaan. Als neurotransmitter speelt het onder andere een regulerende rol bij stemming, zelfvertrouwen, slaap, emotie, seksuele activiteit, eetlust, verslaving en agressie. Een tekort kan bijvoorbeeld leiden tot depressieve gevoelens, slechte nachtrust, verminderde behoefte aan seks, obsessief gedrag en een grotere verslavingsgevoeligheid. Dit zijn symptomen die men ook regelmatig bij personen met ASS tegenkomt. Het is ook bekend uit PET-scans dat kinderen tussen de 2 en 5 jaar oud met ASS minder serotonine aanmaken dan leeftijdsgenoten zonder ASS. Ook blijkt dat een tijdelijk tekort aan L-tryptofaan repetitief gedrag en gevoelens van angst en spanning teweegbrengt bij personen met ASS. Men concludeert daarom dat verstoringen in de serotonine- en L-tryptofaanstofwisseling een rol spelen bij de afwijkende hersenontwikkeling en gedragsproblemen.


      Ook sulforafaan, een stof uit broccoli kan uitkomst bieden. Dat blijkt uit een recent onderzoek. De onderzoekers stelden vast dat dagelijkse toediening van sulforafaan, gedrag en communicatievaardigheden bij mannen met autisme kan verbeteren. Broccoli (Brassica Italica) staat al langer in de belangstelling.


      40 autistische mannen tussen 13 en 27 jaar werden 18 weken lang gevolgd. De ene helft kreeg een placebo, de andere helft een sulforafaansupplement. Verbale communicatie en sociale vaardigheden gingen vooruit bij de groep die sulforafaan namen. Ook werden de mannen die sulforafaan namen meer rust en hadden ze minder last van het kenmerkend gedrag bij autisme. Na het onderzoek verdween dit effect. Het is dus van belang om bij personen met een autismespectrumstoornis structureel sulforafaan toe te dienen.

      Zie ook:
      Immuunsusteem