Keel, neus en oren

Keel, neus en oren zorgen ervoor dat wij kunnen ademhalen, ruiken en horen. Maar ze spelen ook een belangrijke rol bij de spraak, de spijsvertering en het evenwicht. In de geneeskunde worden oren, neus en de organen die zich binnen in de keel (keelholte en strottenhoofd) bevinden, door eenzelfde deskundige (specialist) behandeld: keel- , neus- , oorarts (KNO arts). Deze medische specialisatie houdt zich bezig met de studie van de oren, neus en keel en de behandeling van de ziektes van het gebied tussen de schedelbasis en de onderkant van de nek.
De KNO-deskundige behandelt aandoeningen zoals:
  • Duizeligheid.
  • Doofheid.
  • Infecties.
  • Keelamandelen.
  • Neusamandelen.
  • Oorspeekselklieren.
  • Oorsuizen.
  • Schildklier.
  • Stembanden.
  • Tumoren.
De keel:
Dit is de binnenkant van de nek. Ze wordt gevormd door de keelholte en het strottenhoofd, dit is het kruispunt tussen de luchtwegen en de spijsverteringskanalen.

De keelholte:
De keelholte begint bij de choanen (verbinding met de neusholtes) en loopt door tot achter in de keel en tot aan de slokdarm. De spieren die de keelholte vormen, zorgen ervoor dat ze zich kan vernauwen (samentrekkende spier) en opheffen (elevatorspier): tijdens het slikken duwt de keelholte het voedsel en de vloeistoffen van de mond in de spijsverteringskanalen. Aan de voorkant komt de keelholte uit op het strottenhoofd en achteraan op de slokdarm.

Het strottenhoofd:
  • Kraakbeenrand
  • Stembanden
  • Schildkraakbeen
  • Bindweefselband
  • Ringkraakbeen
  • Locatie
  • Luchtpijp
Het strottenhoofd is een soort holle en stijve cilinder die uit 11 kraakbeenringen bestaat waarvan de omvangrijkste, het schildkraakbeen, bestaat uit door 2 symmetrische schijven die een uitsteeksel vormen (de adamsappel). De stembanden maken deel uit van het strottenhoofd; ze worden gevormd door 2 spierbanden die met slijmvlies bedekt zijn. Ze komen vooraan samen en achteraan zijn ze gehecht aan het stelkraakbeen (arytenoïde). In het strottenhoofd wordt de stem gevormd: wanneer we geluid voortbrengen, zal de uitgeademde lucht de stembanden doen trillen; de klankholtes van neus en keel en ook de tong zorgen voor de modulatie (stembuiging) van de klanken.

De neus en sinussen:
De neus: is het begin van de ademhalingswegen. De neus bestaat uit 2 holtes die bekleed zijn met slijmvliezen, de neusholtes. Naar buiten toe monden ze uit in de neusgaten. Inwendig staan ze in verbinding met het bovenste deel van de keel via 2 openingen, de choanen. De neus maakt deel uit van het ademhalingsstelsel. De ingeademde lucht komt binnen via de neusholtes, wordt daar bevochtigd en gefilterd dankzij het slijm en de trilhaartjes die onzuiverheden tegenhouden. De neus is ook het reukorgaan: de bovenste wand van de neusholtes is bekleed met een slijmvlies waarin zich de reukcellen bevinden.
De sinussen: zijn met lucht gevulde holtes die in het schedelbeen ingebed liggen en die uitmonden in de neusholtes. Ze liggen symmetrisch aan beide kanten van het gelaat en zijn bekleed met een slijmvlies dat lijkt op dat van de neusholtes.

De oren:
De bouw: het oor bestaat uit 3 delen:
1. Het uitwendige oor: dit wordt gevormd door de oorschelp en de uitwendige gehoorgang
2. Het middenoor: dit is een holte (de trommelholte) gescheiden van de uitwendige gehoorgang door het trommelvlies en van het binnenoor door 2 membranen. Bovendien bevat het kleine beentjes, de gehoorbeentjes (hamer, aambeeld en stijgbeugel). Het middenoor staat in verbinding met de keelholte door een kanaal (buis van Eustachius), die een belangrijke rol speelt bij het evenwicht. Ten slotte bevat het middenoor ook de kleine uithollingen gevormd in het been achter het oor (mastoïd).
3. Binnenoor: bestaat uit een geheel van kanaaltjes die 2 delen vormen: het slakkenhuis en het labyrint of de doolhof

De functies: zijn het gehoor en het evenwicht.
1. Het gehoor: de geluiden opgevangen door de oorschelp en de uitwendige gehoorgang doen de trommelvlies trillen. Deze trillingen worden via de gehoorbeentjes overgebracht van het middenoor naar het binnenoor waar ze in zenuwimpulsen worden omgezet en doorgestuurd naar de hersenen.
2. Het evenwicht: de structuren in het oor die deel uitmaken van het evenwichtszintuig bevinden zich in het achterste deel van de doolhof: hier bevinden we zich de voorhof en de halfcirkelvormige kanalen. Deze structuren geven informatie door over de positie van het hoofd in de ruimte en over veranderingen. Deze informatie wordt doorgegeven aan het centrale zenuwstelsel via de voorhofzenuw en daarna samengevoegd met andere informatie (visuele) in een complex systeem dat mee de ruimtelijke waarneming van het lichaam bepaalt.

De tong:
De tong wordt gevormd door spieren die omgeven zijn door een fijn slijmvlies en bestaat uit 2 delen: de tongwortel die achteraan in de mond begint en het beweeglijke deel dat in de mond ligt. De tong is het smaakorgaan: wij nemen smaken waar dankzij de smaakpapillen. Ze heeft ook een taak bij het slikken: ze duwt het voedsel naar achter in de mond. Ze speelt ook een essentiële rol bij het produceren van klanken.

De speekselklieren:
Ze bestaan uit talrijke cellen die het speeksel produceren dat in de mond uitkomt; ze zetten de spijsvertering in gang. Er zijn 3 soorten speekselklieren:
  1. 2 oorspeekselklieren: die het grootste zijn en die vlak voor en onder de oren liggen.
  2. 2 onderkaakspeekselklieren.
  3. 2 ondertongspeekselklieren: in het onderste deel van de mond, evenals talrijke klieren in het mondslijmvlies.