Bloedgroepen

Mensen hebben niet hetzelfde bloed. De indeling van het bloed in groepen die identieke kenmerken vertonen, is van essentieel belang om compatibiliteit tussen donoren en bloedontvangers tijdens bloedtransfusies te garanderen.

Het bloed bestaat uit een vloeibaar gedeelte (plasma) en uit cellen (rode en witte bloedlichaampjes en de bloedplaatjes). Op de oppervlakte van deze cellen (vooral op de rode bloedcellen) bevinden zich stoffen, antigenen genoemd. Het is de taak van antigenen om te reageren indien vreemde elementen het organisme binnendringen. Dit doen ze door antilichamen te vormen; dit proces noemt men immuunreactie. De antigenen verschillen van mens tot mens. Een patiënt die men een bloedtransfusie geeft met antigenen die hijzelf niet bezit, reageert hierop door antilichamen te vormen tegen dit antigeen. De transfusie is dan ondoeltreffend (de rode bloedlichaampjes die via de transfusie overgebracht werden, worden vernietigd door het serum van de ontvanger) of ze kan de vernietiging van de rode bloedlichaampjes van de ontvanger met zich meebrengen met vaak ernstige gevolgen:
  • Koorts
  • Nierinffuciëntie
  • Shocktoestand
Daarom zal men, voor elke transfusie nagaan welke antigenen in het bloed van de patiënt aanwezig zijn zodat men compatibel bloed kan geven. Er bestaan talloze soorten antigenen ( een twintigtal voor de rode bloedlichaampjes alleen al). De verschillende antigenen die tot eenzelfde soort behoren, vormen een bloedgroep. Er bestaan dus talrijke bloedgroepen, maar niet elke bloedgroep is even belangrijk bij een bloedtransfusie. Compatibiliteit binnen dezelfde groep moet alleen maar dwingend gerespecteerd worden voor 2 soorten antigenen, het ABO-systeem en de Rhesusfactor.

Het ABO-systeem:
Dit systeem werd in 1900 ontdekt door de Duitse arts Karl Landsteiner. Door bloed van verschillende personen te vermengen, ontdekte hij dat alleen bepaalde mengsels mogelijk waren bij een bloedtransfusie. Hij ontdekte zo 2 antigenen op de oppervlakte van rode bloedlichamen en noemde die A en B. Naargelang het bloed van een persoon het ene of het andere, beide of geen enkele van die antigenen bevatte, klasseerde hij ze in de groep A, B, AB of O. Bovendien ontdekte hij dat het bloed antilichamen bevat die verschillen naargelang men tot de ene of andere groep behoort: de personen van groep B hebben antilichamen tegen A, die van groep A hebben antilichamen tegen B en die van groep O hebben antilichamen tegen zowel A als B. De personen van groep O, die bloed kunnen geven aan personen van alle andere groepen (maar die zelf alleen maar bloed kunnen ontvangen van groep O), noemt men universele donoren, personen uit de groep AB, die bloed van eender welke groep kunnen ontvangen, zijn universele dragers.

Het ABO-systeem: bepaling van de bloedgroep uit een bloedstaal van de patiënt
worden gemengd met serumtesten; de reacties die verkregen worden, laten toe
de bloedgroep te bepalen


De Rhesusfactor:
  • De rhesusfactor werd in 1940 door dezelfde arts ontdekt. Deze factor geeft aanvullende informatie bij de classificatie door het ABo-systeem. De Rhesusfactor is genoemd naar een aap uit Zuidoost-Azië, waarop Landsteiner zijn experimenten uitvoerde. Deze factor wordt gekenmerkt door talloze antigenen waarvan er 5 (D, C, c, E en e) echt belangrijk zijn, omdat ze in staat zijn om de aanmaak van antilichamen met zich mee te brengen wanneer ze worden overgebracht naar een patiënt die niet over het overeenstemmende antigeen beschikt. Een persoon die het antigeen D heeft, wordt Rhesuspositief (Rh+) genoemd, een persoon die dit antigeen niet heeft, Rhesusnegatief (Rh-). De rode bloed lichaampjes zijn bovendien ook dragers van de antigenen C, E, c en e, verschillende geassocieerd volgens genetische wetten: een bloedlichaam dat geen drager is van het C-antigeen, is noodzakelijkerwijze drager van het c-antigeen en omgkeerd. Hetzelfde geldt ook voor de antigenen E en e. Wanneer een Rh- moeder zwanger is van een Rh+ kind, leidt het contact tussen haar bloed en dat van het kind tot de vorming van anti-Rhesus-antilichamen bij de moeder. Dit contact komt gewoonlijk slechts tot stand tijdens de bevalling. Maar indien deze vrouw een tweede Rh+ kind verwacht, bestaat het risico dat haar anti-Rhesus-antilichamen de rode bloedcellen van de foetus vernietigen, waardoor deze een ernstige vorm van anemie kan oplopen, de hemolytische anemie van de pasgeborene. Vandaag worden zwangere vrouwen onderworpen aan een bloedonderzoek bij het begin van de zwangerschap om na te gaan of ze Rh- zijn. In dat geval, na de bevalling en indien hun kind Rh+ is, zal men haar een stof inspuiten die de vorming van anti-Rhesus-antilichamen verhindert. Vandaar dat hemolytische anemie aan het verdwijnen is
  • Er bestaan nog andere groepen, bepaald door verschillende antigenen die aanwezig zijn aan het oppervlak van de rode bloedlichamen. Het Kell-Cellano-systeem is het belangrijkste wat bloedtransfusie betreft. Men spoort de antilichamen van dit systeem op bij zwangere vrouwen en bij personen die al meerdere malen een transfusie hebben ondergaan. Andere classificaties hebben betrekking op andere bloedcellen: er bestaan antigenen die eigen zijn aan bloedplaatjes (voornamelijk PLA1 en PLA2), maar die weinig belang hebben bij een bloedtransfusie. Ten slotte berust HLA systeem (Human Leucocyte Antigen) op de classificatie van antigenen die voorkomen op bloedcellen, met uitzondering van de rode bloedlichamen; ze zijn van belang bij een transfusie en er wordt ook rekening mee gehouden bij transplantatie van beendermerg of organen
De grondlegger van het bloedgroepdieet is Peter J. D’Adamo.
Hij ontdekte in de vijftiger jaren van de vorige eeuw dat sommige patiënten vegetarische en vetarme kost bijzonder goed verdroegen, maar anderen juist helemaal niet. Een mogelijke verklaring hiervoor vermoedde hij in het bloed van de mensen. Na jarenlange ondervragingen en onderzoeken van patiënten kwam hij tot de conclusie dat een dieet altijd iets heel individueels is en dat de bloedgroep ook mee beslist over welke levensmiddelen goed worden verdragen en welke minder goed. Zo ontwikkelde hij het bloedgroepdieet. De bloedgroepenvoeding is een gevarieerde voeding. De maaltijden zijn volwaardig. Bij een gezonde voeding speelt de kwaliteit van de levensmiddelen een grote rol.

Bloedgroep O:

Bloedgroep 0 is historisch gezien de oudste en meest voorkomende bloedgroep ter wereld. Het is de bloedgroep van de jagers en verzamelaars van weleer, die vleeseters waren. Dat betekent echter niet dat mensen met bloedgroep 0 elke dag grote hoeveelheden vlees moeten eten. Maar het is een feit dat ze meer kunnen presteren wanneer ze 4 tot 6 maal per week een kleinere hoeveelheid van ca. 120 gr. vlees of vis op het menu zetten. Voor bloedgroep 0 is regelmatige lichaamsbeweging echter ook bijzonder belangrijk
Bloedgroep A:
Vanuit bloedgroep 0 ontwikkelde zich bloedgroep A, als reactie op de levenswijze van de mensen, die steeds meer begonnen voorraden aan te leggen en voedingsmiddelen zelf te produceren (landbouw, boeren). Het immuunsysteem en het spijsverteringssysteem pasten zich aan de nu overwegend plantaardige voeding aan. Mensen met bloedgroep A verdragen een overwegend plantaardige voeding.
Bloedgroep B:
Vanuit de vaste akkerbouwgemeenschappen ontwikkelde zich de nomade, de mens met bloedgroep B. Volkrijke stammen trokken door de vaak onvruchtbare verre gebieden. Ze voedden zich met vlees en melkproducten van hun kuddes en met al het eetbare dat ze tijdens hun trektochten tegenkwamen.
Bloedgroep AB:
Ongeveer 1000 tot 1500 jaar geleden ontwikkelde zich de tegenwoordige zelden voorkomende bloedgroep AB. Het AB-type is een nakomeling uit een verbintenis tussen mensen met bloedgroep A en die met bloedgroep B. Een mens met bloedgroep AB heeft de meest sterke en zwakke punten van de types A en B in zich verenigd
Iedereen kan en moet het liefst de adviezen van de bloedgroepentheorie voor zichzelf testen. Dat gaat het gemakkelijkst als u gedurende 2 tot 3 weken bij voorkeur levensmiddelen gebruikt die worden aanbevolen voor een bepaalde bloedgroep. Na deze proeftijd beoordeelt u uw persoonlijk welzijn en eventuele veranderingen ten opzichte van de tijd voordat u uw voeding wijzigde. Als u daarna terugkeert naar uw oude voedingspatroon dan zou u een verschil moeten kunnen vaststellen in hoe u zich voelt. Het verschil is natuurlijk des te groter naarmate uw normale voeding meer afwijkt van de volgens de bloedgroepentheorie meest geschikte voeding.

Zie ook:
Bloedarmoede (anemie)
Bloedsomloop (info)
Bloedsomloop (problemen met)
Witte bloedcellen (te weinig)