Vitamine D3 (cholecalciferol)

De keuze van Gezondheidsweb 
 prijs/kwaliteit






Ondersteunende werking van vitamine D3 bij de volgende aandoeningen:
Dosering:
De aanbevolen dagelijkse hoeveelheid vitamine D3:
  • 2,5 mcg (microgram) per dag voor personen tussen 4 en 50 jaar
  • Tot 12,5 mcg voor personen boven de 70 jaar.
  • Afhankelijk van de blootstelling aan zonlicht en de huidpigmentatie, kan daar nog 2,5 microgram bijkomen.
  • In de ogen van veel deskundigen zijn deze hoeveelheden te laag en aan herziening toe. Om vanuit een toestand van tekorten met de vitamine D spiegels weer normaal te krijgen zijn deze hoeveelheden zelfs volstrekt onvoldoende. Daarvoor zijn doseringen nodig die ver boven de aanbevolen dagelijkse hoeveelheden uitgaan.
Vitamine D3 Vitaminstore

Synergisme (versterkt de werking van vitamine D3):
  • Vitamine D kan een synergetisch effect hebben bij een behandeling met bisfosfonaten (geneesmiddelen die de botafbraak remmen), oestrogenen of raloxifeen (geneesmiddel dat de botafbraak vermindert) om de botmineraaldichtheid te verhogen.
Waarschuwing:
  • In de doseringen die in voedingssupplementen verkrijgbaar zijn, zijn geen contra-indicaties bekend. Ook patiënten met leverziekten kunnen vitamine D supplementen gebruiken. De lever is namelijk in staat om vitamine D te metaboliseren, zelfs in een toestand van vergevorderde leverziekte.
  • Het is vrijwel onmogelijk om toxische hoeveelheden vitamine D uit voedingssupplementen te halen. Vitamine D heeft pas toxische effecten bij serumwaarden van 250 nmol calcidiol per liter of meer. Dergelijke waarden worden pas bereikt bij chronisch gebruik van meer dan 10.000 IE (250 µg) vitamine D per dag, 100 x de huidige aanbevolen dagelijkse hoeveelheid voor volwassenen. In voedingssupplementen is de toegestane hoeveelheid vitamine D wettelijk beperkt tot maximaal 5 µg per dag. Voor producten die speciaal bedoeld zijn voor personen van 60 jaar en ouder, kinderen t/m 6 jaar, zwangeren en zogenden geldt een maximale dagdosis van 15 µg vitamine D, maar alleen als op het etiket van een dergelijk product expliciet is vermeld dat het uitsluitend is bedoeld voor deze doelgroepen. Vandaar dat op hooggedoseerde vitamine D producten een waarschuwingstekst op het etiket moeten staan: “Dit product bevat hoeveelheden vitamine D die uitsluitend geschikt zijn voor kinderen van 1 tot en met 6 jaar, zwangeren, zogenden en personen van 60 jaar en ouder”. Paradoxaal genoeg is voor het normaliseren van de vitamine D spiegels vaak aanmerkelijk meer vitamine D nodig dan het wettelijk maximum. Vanwege deze wettelijke beperking is het risico op overdosering van vitamine D door het gebruik van een voedingssupplement, mits men zich aan de aanbevolen dosering houdt daarom uitgesloten.
  • De maximaal veilige dosis voor vitamine D3 is onlangs in de EU verhoogd van 50 naar 100 µg (4000 IE) per dag. Volgens een risicoanalyse uit 2007 kan deze waarde zonder bezwaar verder worden verhoogd tot 250 µg (10.000 IE) per dag. Voor kinderen van 1-10 jaar is de veilige bovengrens recent verdubbeld, van 25 µg naar 50 µg per dag. Voor zuigelingen is deze nog steeds 25 µg per dag.
  • Bij langdurig gebruik van bepaalde medicijnen neemt de absorptie van vitamine D af, waardoor op den duur een gebrek kan ontstaan. Dat geldt bijvoorbeeld voor: colestyramine (lipidenverlagend middel), neomycine (antimicrobieel middel) en orlistat (middel bij overgewicht). Neomycine verhoogt ook de uitscheiding van vitamine D. Er zijn ook medicijnen die interfereren met het metabolisme van vitamine D. Enzyminducerende anti-epileptica (zoals carbamezepine, fenobarbital, primidon en fenytoïne) kunnen het vitamine D metabolisme versnellen waardoor op den duur een tekort aan vitamine D kan ontstaan. Ook inname van valproïnezuur, een niet-enzyminducerend anti-epilepticum, kan uiteindelijk leiden tot een verlaagde vitamine D spiegel. Bij gebruik van anti-epileptica is het risico op fracturen dan ook sterk verhoogd en is regelmatige controle van de botstatus gewenst. Corticosteroïden interfereren op diverse wijzen met het metabolisme van vitamine D. Bovendien neemt bij het gebruik van corticosteroïden de absorptie van calcium af en neemt de uitscheiding van calcium toe. Bij langdurig gebruik van corticosteroïden wordt extra calcium en vitamine D aangeraden. Heparine (niet-gefractioneerd), een antistollingsmiddel, remt de omzetting van vitamine D in de nieren naar de actieve vorm. Bij langdurig gebruik van een hoge dosering heparine kan osteoporose ontstaan. Cimetidine remt (waarschijnlijk) de activeringsstap van vitamine D in de lever. Mogelijk geldt hetzelfde ook voor andere H2 receptorantagonisten, maar dit moet nog worden bevestigd in onderzoek. Bij digoxine gebruik kan door vitamine D suppletie het risico op hartritmestoornissen toenemen door vitamine D geïnduceerde hypercalciëmie. Door het gebruik van thiazidediuretica (zoals indapamide, hydrochloorthiazide, chloorthiazide en chloortalidon) neemt de uitscheiding van calcium af. Bij het gebruik van vitamine D in combinatie met deze medicatie moet rekening gehouden worden met hypercalciëmie. Over de doseringen vitamine D waarbij hypercalciëmie kan optreden in combinatie met genoemde medicatie is helaas onvoldoende informatie beschikbaar, maar geadviseerd wordt om voorzichtigheid te betrachten met vitamine D suppletie bij patiënten die deze medicatie gebruiken. Andere interacties met reguliere of natuurgeneesmiddelen zijn ook mogelijk. Raadpleeg hiervoor een deskundige.
Indicaties:
  • Bewegingsapparaat: osteoporose, botbreuken, osteomalacie, rachitis, myopathie, sarcopenie, renale osteodystrofie, grotere kans op vallen.
  • Auto-immuunziekten: diabetes type 1, multiple sclerose, chronische thyroïditis (Hashimoto), reumatoïde artritis, inflammatoire darmziekte, ziekte van Addison, SLE (systemische lupus erythematosus).
  • Diabetes type 2, metabool syndroom, overgewicht/obesitas.
  • Hart- en vaatziekten: hypertensie, atherosclerose, ischemische hartziekte, hartfalen, beroerte, hartinfarct.
  • Luchtwegen: astma, COPD, bronchitis.
  • Infectieziekten: influenza, tuberculose, (virale) luchtweginfecties, verminderde weerstand, bacteriële vaginose.
  • Mentale aandoeningen: schizofrenie, depressie, angst, autisme, cognitieve achteruitgang bij ouderen.
  • Kanker: borst-, prostaat-, dikke darm-, huid-, blaas-, slokdarm-, maag-, ovarium-, nier-, cervix-, mond-, pancreas- en baarmoederkanker, Hodgkin en non-Hodgkin lymfoma.
  • Oogaandoeningen: maculadegeneratie.
  • PMS (premenstrueel syndroom).
  • Spijsverteringskanaal: verhoogde darmpermeabiliteit, (gedeeltelijke) verwijdering van de maag (gastrectomie), coeliakie (glutenintolerantie), inflammatoire darmziekten.
  • Taaislijmziekte (cystische fibrose, mucoviscidose).
  • Lverziekten.
  • Chronische pijn grotere kans op overlijden (alle oorzaken).
Meer info:
  • Vitamine D is een afwijkend vitamine in de zin dat het lichaam het zelf kan aanmaken. Sterker nog, bij voldoende blootstelling aan ultraviolette straling uit zonlicht of andere bronnen is de eigen aanmaak vele malen groter dan wat via de voeding kan worden opgenomen. Pas bij onvoldoende zonblootstelling wordt vitamine D een essentieel nutriënt en wordt belangrijk hoeveel we ervan via de voeding innemen. Vitamine D en haar metabolieten zijn structureel verwant aan de steroïdhormonen. Met name in het laatste decennium stapelen de wetenschappelijke publicaties over dit nutriënt zich op en wordt duidelijk dat vitamine D in veel meer lichaamsprocessen een rol speelt dan alleen de calciumstofwisseling. Triest genoeg blijkt tegelijkertijd dat de vitamine D status van grote groepen van de bevolking ronduit slecht is, en dat de aanbevelingen en normaalwaarden voor wat een gezonde vitamine D status is, aan herziening toe zijn.
  • Zonlicht is voor de mens verreweg de belangrijkste bron van vitamine D. Het lichaam kan in de huid vanuit een metaboliet van cholesterol (7-dehydrocholesterol) vitamine D3 (cholecalciferol) aanmaken onder invloed van het UV-B deel van het zonlicht. Het lichaam heeft een grote capaciteit om vitamine D3 aan te maken. Iemand in badkleding die zolang in de zon zit totdat een lichte roodkleuring van de huid optreedt (erytheem), doet de bloedspiegels van vitamine D3 evenveel stijgen als wanneer deze persoon 10.000 tot 25.000 IE (250 mcg tot 625 mcg) vitamine D via een voedingssupplement zou nemen. Mensen die wonen en werken in een tropisch klimaat, maken naar schatting 10.000 IE (250 µg) per dag aan; 100 maal meer dan de in Nederland aanbevolen dagelijkse hoeveelheid voor volwassenen. 250 Microgram is ook ongeveer het maximum dat het lichaam per dag aanmaakt aan vitamine D. Na excessieve blootstelling aan de zon ontstaat er geen vitamine D toxiciteit, aangezien op een gegeven moment een evenwicht tussen aanmaak en afbraak ontstaat, waarbij een overmaat vitamine D en previtamine D wordt omgezet in inactieve producten. Alles wat de hoeveelheid UV-straling, die de huid binnendringt, beïnvloedt, heeft een enorm effect op de productie van vitamine D in de huid en daarmee op de vitamine D status.
  • Zongerelateerd gedrag: veel mensen werken en leven voornamelijk binnen. Zodra men buiten komt bedekt men de huid of gebruikt men een zonnebrandcrème uit angst voor huidkanker. Mensen die zon vermijden lopen zelfs in de zomer kans op vitamine D deficiëntie. In Miami komt onverwacht veel vitamine D tekorten voor, ondanks het zonnige weer en gunstige breedtegraad. Glas in huizen en auto’s weerkaatst UV-B straling, zelfs in de zomer. Lichaamsbedekkende kleding (nikaab, boerka, chador, sluier) worden vooral gedragen door vrouwen met een donkere huidskleur, die sowieso al moeilijker vitamine D aanmaken. Het aanbrengen van een zonnebrandcrème met beschermingsfactor 8 doet de vitamine D3 productie met 97,5% afnemen. Beschermingsfactor 15 remt de vitamine D productie met 99%.
  • Huidpigmentatie: melanine in de huid functioneert als natuurlijke bescherming tegen zonnebrand, maar beperkt eveneens de snelheid waarmee vitamine D kan worden aangemaakt. Bij mensen met een donkere huidskleur functioneert de vitamine D synthese in de huid aanmerkelijk langzamer dan bij mensen met een blanke huid en kan tot 99% geremd worden.
  • Huidveroudering: Bij stijgende leeftijd wordt de huid dunner en vermindert het vermogen om vitamine D in de huid aan te maken.
  • Een gezonde blanke huid is in principe in staat om vrij snel grote hoeveelheden vitamine D aan te maken. Op de 52e breedtegraad, waarop Nederland ligt, wordt in de zomer (mei-september) midden op de dag bij onbewolkte hemel en heldere lucht al na enkele minuten blootstelling van een type-1 huid (blank), met 25% van het lichaamsoppervlak onbedekt en in horizontale positie, 25 microgram (1000 IE) vitamine D aangemaakt. In de winter (november-maart) echter, is het op dezelfde breedtegraad onder geen enkele omstandigheid mogelijk om uitsluitend met behulp van zonlicht een adequate vitamine D status te handhaven.
  • Slechts zeer weinig voedingsmiddelen zijn een goede bron van vitamine D. Eigenlijk alleen vette vissoorten en de olie daaruit (met name de visleverolie in de vorm van levertraan) bevatten in vergelijking met ander voedsel relatief veel van het vitamine. Wilde zalm bevat 25 microgram per 100 gram, kweekzalm 10 mcg. Haring bevat 15 microgram vitamine D per 100 gram. Ook eierdooiers bevatten meer vitamine D dan veel ander voedsel, maar de hoeveelheden zijn niet noemenswaardig (zelden meer dan 1,25 microgram per dooier). Aan margarine is in Nederland vitamine D toegevoegd tot de niveaus die van nature in boter voorkomen (7,5 microgram per 100 gram). Consumptie van margarine of boter zal voor hooguit 1 microgram per dag aan de vitamine D inname bijdragen.
  • Het gehalte aan vitamine D-achtige stoffen in moedermelk is bijzonder laag en is sterk afhankelijk van de vitamine D status van de moeder. Wanneer moeders reeds een subklinische vitamine D deficiëntie hebben (zoals de meeste vrouwen in westerse landen op ver van de evenaar gelegen breedtegraden en vooral ook in islamitische gemeenschappen), dan hebben de zuigelingen een duidelijk hoger risico om snel een vitamine D gebrek te ontwikkelen.
  • Verschillende vormen van vitamine D zijn ontdekt (vitamine D1 t/m D5), waarvan alleen vitamine D2 en vitamine D3 voedingskundig van belang zijn: vitamine D2 (calciferol of ergocalciferol) deze vorm kan onder invloed van UV-licht worden gevormd uit de precursor ergosterol, dat aanwezig is in plantaardige voeding of schimmels (qua voeding het meest relevant zoals kaas, paddenstoelen en gist). In de natuur vindt de omzetting van ergosterol in ergocalciferol echter nauwelijks plaats en ook het menselijk lichaam is daartoe niet in staat. Plantaardig voedsel is daarom een slechte bron van vitamine D. Synthetische vitamine D2, gevormd door UV-bestraling van ergosterol, was tot het begin van de jaren ’90 van de vorige eeuw verreweg de belangrijkste vorm waarin vitamine D aan melk, margarine en andere voedingsmiddelen werd toegevoegd. Inmiddels is vitamine D2 in veel van deze gevallen vervangen door vitamine D3, hoewel ook vitamine D2 nog veel wordt toegepast. Vitamine D3 (cholecalciferol) deze vorm bevindt zich in voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong; maar kan ook in de huid worden geproduceerd uit (het uit cholesterol afkomstige) 7-dehydrocholesterol via een fotochemische reactie op ultraviolette stralen uit zonlicht. Vitamine D3 is relatief stabiel in vettige matrices. Het wordt niet geïnactiveerd door pasteurisatie of sterilisatie. In zuur of in contact met zuurstof wordt het geoxideerd en wanneer het aan zonlicht wordt blootgesteld, wordt het geïnactiveerd.
  • Bij de meeste zoogdieren, inclusief de mens, is vitamine D3 veel effectiever in het verhogen van de calcidiol spiegels dan D2. Vitamine D3 is tenminste drie en waarschijnlijk eerder 10 maal sterker dan vitamine D2, onder meer vanwege een sterkere bindingsaffiniteit met de vitamine D receptor[6]. Vitamine D3 heeft voor de mens dan ook de voorkeur in geval van suppletie of verrijking. Hoewel vitamine D2 nog veelvuldig gebruikt wordt, wordt het tegenwoordig door deskundigen niet meer als gelijkwaardig beschouwd aan vitamine D3. De hoeveelheid vitamine D kan worden uitgedrukt als microgram ergocalciferol (vitamine D2) of microgram cholecalciferol (vitamine D3). Regelmatig wordt ook de hoeveelheid internationale eenheden (IE) vermeld, waarbij 40 IE overeenkomt met 1 microgram.
  • Vitamine D2 en vitamine D3 uit de voeding worden opgenomen in chylomicronen en via het lymfevatenstelsel naar de veneuze bloedsomloop getransporteerd. Vitamine D circuleert via de bloedsomloop door het hele lichaam, gebonden aan het zogenoemde ‘vitamine D-bindend proteïne’ (VDBP). In de huid aangemaakte vitamine D3, dan wel vitamine D2 of D3 uit de voeding, kan vervolgens worden opgeslagen in de vetcellen en van daaruit worden vrijgemaakt. Of het kan naar de lever worden getransporteerd, waar activatie plaatsvindt. Zowel vitamine D2 als vitamine D3 zijn in principe inactief. Om hun fysiologische functies uit te kunnen oefenen, moeten deze verbindingen eerst geactiveerd worden.
  • Deze activatie vindt in twee stappen (twee hydroxylatiereacties) plaats. Vooral in de lever, maar ook in een aantal andere lichaamsweefsels, kan vitamine D3 (en D2) op positie 25 worden gehydroxyleerd, waarbij calcidiol ontstaat (25-hydroxyvitamine D). Calcidiol heeft slechts een geringe biologische activiteit. In de lever is een overmaat aan omzettingscapaciteit aanwezig, waardoor de calcidiolspiegels in het plasma stijgen in verhouding met de vitamine D inname. Calcidiolspiegels in het plasma worden daarom regelmatig gebruikt als indicator van de vitamine D status. De halfwaardetijd van calcidiol in de circulatie is ongeveer 1-2 maanden. Calcidiol wordt vervolgens naar de nieren getransporteerd, waar uiteindelijk een volgende hydroxylatiestap plaatsvindt (1-hydoxylatie, via een cytochroom P450 enzym in de proximale tubulus) en het actieve hormoon calcitriol (1α,25-dihydroxycholecalciferol) wordt gevormd. De vorming van calcitriol in de nieren wordt gestimuleerd door het parathormoon, evenals door de hoeveelheid calcium en fosfor in het bloed.
  • De fysiologische effecten van vitamine D worden veroorzaakt door de effecten van geactiveerd vitamine D (calcitriol) op de expressie van bepaalde genen. De actieve metaboliet van vitamine D, calcitriol, reguleert de transcriptie van een groot aantal genen door binding aan een transcriptiefactor, de nucleaire vitamine D receptor (VDR). In de meeste celtypes kan echter pas transcriptie plaatsvinden nadat dit complex van calcitriol gebonden aan zijn receptor (VDR) een verbinding (dimeer) vormt met de vitamine A receptor (Retinoïd X Receptor, RXR). De expressie van meer dan 50 genen wordt op deze manier gereguleerd, variërend van genen die een rol spelen bij de mineraalhuishouding, energiestofwisseling, celdifferentiatie en -proliferatie, extracellulaire matrixproteïnen, groeifactoren, signaaleiwitten en peptidehormonen. Genen die op deze wijze gedownreguleerd worden zijn PTH, osteocalcine, proteïne-kinase A remmers en interleukine-2 genen.
  • De vitamine D receptor behoort tot de superfamilie van steroïde nuclaire receptors. De mate waarin de cel reageert op calcitriol is voornamelijk afhankelijk van de hoeveelheid aanwezig VDR.
  • Vitamine D (en dan met name calcitriol) heeft verschillende functies in het lichaam. Het belang van vitamine D voor de diverse aspecten van de stofwisseling wordt onderstreept door de aanwezigheid van de vitamine D receptor in meer dan 30 verschillende weefsels. Vitamine D receptoren komen met name voor in darmweefsel, en botweefsel, maar ook in andere weefsels zoals de hersenen, borst, prostaatweefsel en lymfocyten.
  • De bekendste fysiologische functie van vitamine D is het handhaven van gezonde calcium- en fosfaatconcentraties in het lichaam, zowel intracellulair als extracellulair. Deze moeten binnen een range blijven die cellulaire processen, neuromusculaire functie en botcalcificatie ondersteunt. Vitamine D kan daartoe de efficiëntie verhogen waarmee in de dunne darm calcium en fosfor wordt opgenomen. Daarnaast heeft vitamine D invloed op de heropname van deze stoffen in de nieren. Verder kan vitamine D calcium en fosfor vanuit het bot mobiliseren. Resultaat is onder meer dat Vitamine D de botvorming en de mineralisatie bevordert en essentieel is voor de ontwikkeling van een intact en sterk skelet. De laatste jaren komen ook andere belangrijke functies van vitamine D aan het licht, die niet direct samenhangen met de mineraalstofwisseling, zoals de rol bij de celdifferentiatie en -proliferatie, het belang voor neurologische functies (zoals bij stemmingen en depressie, de rol bij de secretie van insuline en de rol in het immuunsysteem.
  • De behoefte aan vitamine D via de voeding is sterk afhankelijk van de hoeveelheid UVB-licht waaraan men zich blootstelt. Het is dan ook moeilijk daar algemeen geldende aanbevelingen voor te doen. De vitamine D status wordt bepaald door het analyseren van de niveaus van calcidiol in het bloed. De referentiewaarden die Nederlandse laboratoria hanteren als normaalwaarden voor calcidiol lopen sterk uiteen. Een serum calcidiolwaarde van 26 nmol/l wordt bijvoorbeeld in het VU Medisch Centrum en het Academisch Ziekenhuis Maastricht beschouwd als normaal, terwijl dezelfde waarde in het Universitair Medisch Centrum Groningen als insufficiënt wordt beschouwd. Ook kan het niveau van het parathormoon een indicator zijn. De vitamine D-spiegel is te laag wanneer de spiegel van het parathormoon stijgt. Met het oog op de parathormoonspiegels is in Frankrijk en de VS de wenselijke calcidiolspiegel inmiddels vastgesteld op 75 nmol/l of hoger.
  • Beneden een serumconcentratie van 75 nmol/L compenseert het lichaam de tekortschietende werking van vitamine D op de calciumhuishouding met het verhogen van de parathormoonspiegels. Daarnaast is de calciumabsorptie in de darm beneden een vitamine D spiegel van 75 nmol/L geremd.
  • In de praktijk blijkt het voor veel bevolkingsgroepen erg moeilijk te zijn om een adequate vitamine D status te handhaven. Groepen die met name risico lopen op vitamine D deficiëntie zijn vijftigplussers, kinderen, zwangeren, mensen met een donkere huidskleur en mensen die weinig buiten komen of lichaamsbedekkende kleding dragen. Maar ook onder gezonde jongvolwassenen blijkt een inadequate vitamine D status veelvoorkomend te zijn. Wanneer de grens van een lage vitamine D status bij 50 nmol/L wordt gelegd, heeft circa 36% van de gezonde jongeren (18-29 jaar) een te lage vitamine D status, bij 42% van de vrouwen (15-49 jaar) met een donkere huidskleur is dat het geval. In Europa heeft 28-100% van de gezonde en 70-100% van de gehospitaliseerde volwassenen een te lage vitamine D status.
  • Om deze reden is vitamine D één van de zeer weinige voedingsstoffen waarvoor het Voedingscentrum suppletie adviseert voor grote groepen mensen: namelijk voor alle kinderen beneden de leeftijd van 5 jaar, voor zwangeren, vrouwen die borstvoeding geven, evenals voor vrouwen vanaf 50 jaar en mannen vanaf 60 jaar.